woensdag 8 februari 2017

Hoe zit de normering van de toetsen van Taal in beeld 2 in elkaar?


Taal in beeld bevat methodegebonden toetsen. Deze zijn primair bedoeld om te bepalen of leerlingen de stof van het voorafgaande blok beheersen. Het zijn dus beheersings- of criteriumtoetsen die een antwoord moeten geven op de vraag: zijn de doelen reeds bereikt of moet er nog stof worden herhaald? Taal in beeld hanteert bij de beheersingstoetsen een norm van 80%. Dit betekent dat er bij meer dan twee fouten in de toets geadviseerd wordt om nog leerstof te herhalen met herhalingstaken. Dat is een hoge norm, omdat we liever onnodig extra herhalen, dan niet herhalen terwijl eigenlijk de leerstof nog niet begrepen wordt.
We merkten dat veel scholen meer willen met deze beheersingstoetsen. Ze willen, en dat is uiteraard begrijpelijk, er een cijfer aan koppelen voor het rapport. Dan hebben we echter te maken met een andere verwachting ten aanzien van de toets. Deze moet dan niet op basis van een hoge norm aangeven of er nog herhaald moet worden, maar aangeven hoe goed een kind is ten opzichte van andere leerlingen. Eigenlijk ten opzichte van alle andere leerlingen in Nederland. Geen enkele methode in Nederland kan dit doen, want het vergt zeer langdurig normeringsonderzoek om dit betrouwbaar vast te stellen. Veel langer dan de ontwikkeltijd van een methode toelaat. De enige veelgebruikte toetsen die dit waar kunnen maken, zijn de niet-methodegebonden LVS-toetsen van het Cito. Daarom adviseren wij ook om naast de methodetoetsen gebruik te maken van deze toetsen. Want hiermee worden vaardigheidsscores bepaald waarmee u de prestaties van individuele leerlingen betrouwbaar met elkaar kunt vergelijken. U ziet dit bijvoorbeeld terug in de Cito-functioneringsniveaus I tot en met V. Niveau I staat voor de 20% hoogst scorende leerlingen en niveau V voor de 20% laagst scorende leerlingen. Zeer waardevolle informatie als aangeven moet worden hoe goed een individueel kind op een bepaald moment presteert.

Maar kan met behulp van een methodetoets dan helemaal geen uitspraak gedaan worden over de prestaties van een kind binnen het taalonderwijs? Dat kan wel, maar minder nauwkeurig dan de Cito-LVS-toetsen dat doen. Doordat de meeste Taal in beeld-scholen tegenwoordig digitaal toetsen, krijgen wij heel veel (geanonimiseerde) toetsscores in onze database. Daarmee kunnen we een gemiddelde score bepalen en aangeven of een kind beter of slechter presteert dan dit gemiddelde. Het denkbeeldige gemiddelde krijgt dan een 6-score en leerlingen die beter scoren stoten door naar een 7, 8, 9 of 10. Of, bij slechtere scores, een 5 of minder. Zo worden de cijfers geschikt voor rapporten.
Nogmaals: de norm die hoort bij dit soort vaardigheids- of normtoetsen moet dus bepaald worden vanuit de gemiddelde score en niet vanuit een vaste 80%-norm zoals bij de methodegebonden beheersingstoetsen. Anders is de kans dat leerlingen en leerkrachten tekortgedaan worden heel groot. Bij moeilijke leerstof en toetsopgaven zou dan een beeld kunnen ontstaan dat leerlingen slecht presteren en/of leerkrachten slecht lesgeven omdat de 80%-norm niet gehaald wordt. Dit zou een slechte zaak zijn, want het is goed mogelijk dat een toetsprestatie ónder die norm nog steeds een prestatie is die ver bóven het gemiddelde zit. Daarom bewaken wij vanuit alle verzamelde toetsscores in onze database hoe we de koppeling met de rapportcijfers het meest betrouwbaar kunnen maken. Indien nodig wordt deze norm dan ook licht bijgesteld.

Samenvattend hangt het bepalen van een norm samen met het doel waarmee je toetst. Is dit om te bepalen of er herhaald moet worden? Ga dan uit van een hoge norm van 80%. Is dit om aan te geven hoe goed een kind is? Vergelijk de prestatie dan met het gemiddelde. Aangezien het voor u lastig en tijdrovend is om dit iedere keer opnieuw te doen, hebben wij dit in de leerkrachtassistent/toetssite van Taal in beeld al voor u geregeld. Want wij vinden dat een methode bedoeld is om de leerkracht zoveel mogelijk werk uit handen te nemen. Ook als het gaat om toetsen en rapportcijfers berekenen. Soms bereiken ons berichten van individuele scholen die melden dat de cijfers best hoog liggen. Uiteindelijk kunnen we deze scholen geruststellen. Dit heeft niet te maken met een probleem ten aanzien van de norm, maar het is het gevolg van goed onderwijs. Een felicitatie meer dan waard!
Jos Cöp, Moniek van de Ven, Albert Rouschop

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen