woensdag 23 november 2011

Moeten we de werkwoordspelling apart beoordelen?

Spelling in beeld laat spelling en de werkwoordspelling in één methode aan de orde komen. Daarbij wordt de leerstof gecombineerd in dezelfde blokken aangeboden. Uiteraard vormen de problemen van de werkwoordspelling wel aparte spellingcategorieën. Maar in hoofdzaak zijn spelling en werkwoordspelling wel één.

Ook vanuit het perspectief van de spellingstrategieën is het meer één dan het lijkt, want de werkwoordspelling kan echt simpeler en krachtiger dan in veel klassen gebeurt. Achter het spellen van werkwoorden schuilt namelijk vaak niet de problematiek van de werkwoordspelling. Dat hangt namelijk af van de vorm waarin het werkwoord staat. De deelwoordvorm (voltooid deelwoord) en de woordenboekvorm (hele werkwoord, infinitief) schrijf je goed op basis van de normale spellingregels en strategieën (klankstrategie, regelstrategie, onthoudstrategie, analogiestrategie). Veel fouten in deze vormen zijn een gevolg van het onjuist of niet toepassen van de regels bij de open- en gesloten lettergrepen of de verlengingsregel. Het doorzien in welke vorm het werkwoord, in combinatie met het correct toepassen van de genoemde regels, kan heel veel werkwoordspellingfouten voorkomen. Er is geen kind dat ‘het gestrande schip’ met dubbel d zou willen schrijven. Deze fout ontstaat pas als er sprake is van verwarring, namelijk de verwarring met de dubbele medeklinker in de persoonsvorm verleden tijd van de regelmatige werkwoorden. Kortom, het zijn verwarringsfouten die voorkomen kunnen worden wanneer leerlingen de vorm van het werkwoord goed kunnen herkennen.

Vrijwel alle werkwoordspellingproblemen zitten alleen in de persoonsvorm van werkwoorden en dan vooral op de volgende punten:
- in de tweede persoon tegenwoordige tijd (word jij) en derde persoon tegenwoordige tijd (hij vindt);
- de verleden tijd van regelmatige werkwoorden (ik praatte, wij rustten);
- de verleden tijd met een ~d of een ~t (hij besefte, wij renden).

Een heel simpele, korte samenvatting om persoonsvormen van werkwoorden goed te kunnen schrijven, bestaat eigenlijk uit 4 simpele stappen:
1. Is het werkwoord de persoonsvorm?
2. Ja? Twijfel je in de tt? Denk aan het werkwoord lopen. (Toelichting: je hoort hier de eventuele ~dt.)
3. Ja? Twijfel je in de vt? Denk aan ’t kofschip. (Toelichting: je weet nu of de verleden tijd op te(n) of de(n) eindigt.)
4. Geen pv? Dan gelden de gewone spellingregels.

Als kinderen dit beheersen, schrijven ze 98% van de werkwoorden goed. Die laatste twee procent moet wellicht niet eens aangeboden worden op de basisschool, want hierdoor ligt de verwarring direct op de loer. Voor veel kinderen betekent deze verwarring dat ze in ongeveer 5% van de werkwoorden verwarringsfouten gaan maken. Het verder uitdiepen van uitzonderingen spant voor hen het paard achter de wagen. Het is een voorbeeld dat het gevaar kan schuilen in de perfectie.

Overigens hebben werkwoordspellingfouten vaak ook een andere oorsprong. In de les gaat het allemaal goed en weten kinderen precies hoe het moet. Maar in de transfer, de toepassing in hun eigen tekst, zijn de fouten er weer. Soms door gebrek aan aandacht, maar soms ook door de manier waarop we teksten maken. Tien vingers blind typen gaat razendsnel, dus de spellingdenktijd is relatief gering. Veel minder dan bij schrijven of gewoon typen met twee vingers. Dit is geen pleidooi voor minder snel of niet typen, maar het geeft wel aan dat onze manier van tekstproductie wellicht niet helemaal losstaat van de uiteindelijke kwaliteit van de spelling. Gelukkig zal de spellingcorrector ons hier vaak weer bij helpen.

Het bovenstaande geeft aan dat er toch een grote verwevenheid is tussen de ‘gewone’ spelling en werkwoordspelling. Vanuit de inhoud is er alles voor te zeggen om ze onder één noemer te beoordelen. Werkwoordspellingfouten kunnen heel goed hun oorsprong hebben in de gewone spelling, waardoor een aparte beoordeling regelmatig een ongeldige conclusie oplevert. Het kind is niet slecht in het spellen van de werkwoorden, maar het heeft een aantal andere spellingzaken nog onvoldoende op een rijtje.
Van de andere kant kunnen praktische zaken als de indeling die het Cito hanteert best doorslaggevend zijn om het wel apart te benoemen. Foute keuzes bestaan hierbij dus niet, maar het gaat erom wat je als school het belangrijkste vindt. Volg je meer de inhoudelijke lijn of kies je voor een meer pragmatische oplossing?

Jos Cöp en Paul Stapel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten