donderdag 25 augustus 2011

Help, de referentieniveaus komen eraan. (deel 2)

In een eerder artikel zijn we nader ingegaan op wat de referentieniveaus precies zijn en wat ze van scholen gaan vragen. In grote lijnen komt het er op neer dat de nieuwe wet op de referentieniveaus taal en rekenen scholen vraagt om het niveau van leerlingen zichtbaar te maken en een bijpassend onderwijsaanbod te bieden. Het doel van het eerste artikel was om de verwarring en misverstanden die er hier en daar zijn in te kaderen. Maar daarna blijft de vraag open waar de referentieniveaus nu precies toe gaan leiden. En welke kansen en risico’s ze met zich meebrengen.

Om dit zo kort en bondig mogelijk op een rijtje te zetten, hebben we ook hier een korte (discussie)film van gemaakt. In vier minuten passeren alle dingen die belangrijk zijn om te weten. Op basis hiervan kunt u ook bepalen wat op uw school nog moet gebeuren om te voldoen aan de eisen die de wet straks aan u gaat stellen.



De conclusie is duidelijk: scholen die hun curriculum goed voor elkaar hebben, hoeven geen grote inspanning te doen om te voldoen aan het leerstofaanbod dat de referentieniveaus vragen. Werkt u met Taal-, Spelling- en Lezen in beeld, dan valt u in deze categorie.

Dan blijft nog het punt over of het onderwijs in voldoende mate is afgestemd op het (individuele) niveau dat leerlingen hebben. Het antwoord op deze vraag is sterk afhankelijk van de visie die u heeft als het gaat om het omgaan met verschillen. Wat we uit het verleden geleerd moeten hebben, is dat de klassieke individualisering met allemaal individueel werkende leerlingen niet werkt. Bij een klassengrootte van meer dan 12 kinderen is het niet haalbaar om individueel werkende kinderen te ondersteunen met voldoende instructie en begeleiding. En daarnaast is het noodzakelijk dat zwakkere leerlingen niet geïsoleerd worden van hun beter presterende klasgenootjes. Dan zakken ze alleen maar verder weg in het ‘moeras’ en wordt hun zelfbeeld uiteindelijk te negatief om tot grote prestaties te komen.

Kortom, effectief omgaan met verschillen betekent het bij elkaar houden van de groep als het mogelijk is. Met in principe hoge verwachtingen, want als daar geen sprake van is, is de devaluatie al begonnen. Om deze reden is het basisprogramma van Taal in beeld dus in principe ook gericht op alle kinderen. Dit basisprogramma bestaat uit de volledige basisschoolstof, dus zowel op fundamenteel niveau (1F) als op streefniveau (1S). Tot en met groep 6 ligt het accent bij de leerstof op niveau 1F. In groep 7 en 8 verschuift het accent naar niveau 1S. Bovenop dit basisprogramma kunnen de betere leerlingen verder ‘plussen’ op niveau 1S en ook hoger. Wellicht dat een aantal zwakkere leerlingen niet alle 1S-onderdelen gaat beheersen, maar dit hoeft uiteindelijk geen probleem te zijn. Op iedere school zullen leerlingen blijven uitstromen op fundamenteel niveau.

Als het eindpunt van het leerstofaanbod leerlingen de mogelijkheid biedt om zowel niveau 1F als 1S op te snuiven, is er geen noodzaak om bij ieder afzonderlijk stukje leerstof af te vragen tot welk niveau het hoort. Sterker nog, dit zou ook averechts kunnen werken. Voortdurend de mogelijkheid hebben om te kiezen tussen leerstof op fundamenteel niveau en op streefniveau maakt de verleiding erg groot om de lat lager te leggen. Daarmee zijn de verwachtingen niet meer hoog en zal de uiteindelijke output dalen. Steeds weer kunnen kiezen tussen leerstofniveaus biedt dus een schijnzekerheid die we niet moeten willen. Taal-, Lezen- en Spelling in beeld zullen dus altijd uit blijven gaan van een volwaardig basisschoolprogramma waar kinderen zich aan op kunnen trekken. De doelstelling van de referentieniveaus was immers om leerlijnen door te laten lopen naar het vervolgonderwijs. Niet om het basisonderwijs te devalueren.



Jos Cöp

Geen opmerkingen:

Een reactie posten